Snelle vergrijzing vereist omslag in denken

UTRECHT - "In de twintigste eeuw hadden werkgevers de keus uit een ruim aanbod van werknemers. Dat gaat fundamenteel veranderen", zegt Jolande Sap, scheidend directeur van expertisecentrum Leeftijd. Door de vergrijzing zal de arbeidsmarkt volgens Sap van een werkgeversmarkt veranderen in een werknemersmarkt.

Dat is mooi voor werknemers: die krijgen meer te kiezen en staan sterker bij onderhandelingen over hun salaris. Maar het kan ook leiden tot inflatie doordat bedrijven de hogere loonkosten doorberekenen in de prijzen. Sap begrijpt daarom wel dat het kabinet inzet op een hogere arbeidsdeelname. In 2016 moet tachtig procent van de beroepsbevolking aan de slag zijn. Dat maakt ook de kosten van de vergrijzing betaalbaar. Toch is dat volgens sommigen niet genoeg. De AOW-leeftijd moet naar 67, vindt de één; ouderen moeten meebetalen aan de AOW, zegt de ander. Sap zoekt het beste van twee werelden. Wat haar betreft gaan ouderen voortaan meebetalen aan de AOW. "De solidariteit van jongeren met ouderen staat onder druk. Ouderen zijn steeds vaker vitaal en vermogend. Leeftijd is geen goede basis voor solidariteit." Daarnaast moet de AOW-leeftijd niet meer automatisch op 65 liggen, zegt Sap. Zij ziet het liefst dat werknemers na veertig dienstjaren recht krijgen op AOW. Wie dus studeert tot z'n 28e, krijgt pas op zijn 68ste recht op AOW; wie op zijn zeventiende begint met werken, krijgt al op zijn 57ste AOW. "Door de AOW te koppelen aan levensverwachting, plukken lager opgeleiden langer de vruchten van een AOW-uitkering." Zo'n systeem komt ook tegemoet aan de moeite die lager opgeleiden hebben om tot hun 65ste door te gaan, meent Sap. Zij denkt daarbij aan fysiek zware beroepen, zoals een bouwvakker. "Een bonus voor iemand die doorwerkt tot na zijn 65ste, zoals minister Donner van Sociale Zaken voorstelt, helpt dan niet. Die leeftijd halen ze gewoon niet." "Een sympathiek, maar onlogisch verhaal", reageert Ronald de Leij van de werkgeversclub AWVN. "Begin jaren zeventig lag de arbeidsdeelname van lager opgeleiden tussen de 55 en 64 jaar ver boven de tachtig procent. Dat laagbetaalden het niet vol zouden houden, is met die cijfers gelogenstraft." Hij wijst op de vut die in de jaren zeventig is ingevoerd waarmee werknemers eerder met pensioen gingen, en jongeren makkelijker een baan zouden vinden. "We zijn elkaar sindsdien gaan aanpraten dat je van iemand van zestig geen prestatie meer kunt verwachten.Wie zijn werk fysiek niet meer aan kan, moet niet stoppen met werken, maar ander werk gaan doen."